Op 20 november 2021 verscheen onderstaand artikel van mij in de Leeuwarder Courant. Ik was met schilder Jan Roos in de Harlinger haven en maakte onderweg verschillende foto’s. Jan overleed vorige week, hij was 74 jaar. Zie dit verhaal als eerbetoon.
Jan Roos en de
haven van Harlingen
Al 35 jaar is de
haven van Harlingen het onderwerp van schilder
Jan Roos. ,,Ergens
oars hast misskien it gefoel
dat it like mut.’’
’s Morgens stapt Jan Roos
op zijn fiets. Vanuit de
Nutstraat rijdt hij over
de Zuiderhaven, steekt de
Kleine Sluis over en via het Harlinger centrum en de Oude Ringmuur
komt hij in de haven. Even zien wat
er is. Hoe ver zijn ze met het vervangen van de houten steigers? Komen
er vissers binnen?
Alles kan zijn weg
vinden naar een tekening of schilderij.
Een groter werk pakt hij vaak ’s middags op. Met zijn verf en kwasten in de fietstas, een rol papier ernaast, zoekt hij zijn plek. Daar legt hij
zijn papier op de grond en gaat aan
de slag. In snelle halen weet hij de
schepen vast te leggen. Meeuwen
zijn een dankbaar onderwerp, evenals vissers die bezig zijn met hun
vangst of hun netten.
Het liefst werkt hij tegen de
avond, als het al donkert. Dan is het
rustig. ,,Kiek’’, wijst hij als hij de sluis
passeert. ,,Die heb ik misschien wel
duzend keer geprobeerd te tekenen
ofte schilderen. Al dat water... vooral
als ze aan het spuien zijn. Of als het
laag water is en de viezigheid boven
komt drijven.’’
Bij de Urker Visafslag zijn de stapels kratten interessant, met hun lukrake compositie in blauw, wit en
groen. Hij slingert zijn been weer
over het zadel en rijdt verder. Hij
weet waar ze liggen. Die grote keien,
die de vissers soms in hun netten
vinden. ,,Mooi met hun pokken.’’
Roos is een halve Terschellinger,
zegt hij. Zijn moeder kwam van dat
eiland, en zijn vader kwam er een generatie eerder al vandaan. Zelf groeide hij op in Harlingen. Na de avondopleiding aan de Leeuwarder academie Vredeman de Vries, en twee jaar
Jan van Eyck Academie in Maastricht, keerde hij terug naar de havenstad.
Sinds 1986 woont hij in het
pakhuisje aan de Nutsstraat.
Destijds was de werf Welgelegen
om de hoek. ,,We hadden ’n mooi
uitzicht over de werf Welgelegen en
de haven.’’ Je hoorde de motoren en
de misthoorn. Als de mannen stonden te lassen, gaf dat energie. De
mosselaars haalden met hun grote
zuigers de zee leeg. Eenmaal in de
haven pakten grote grijpers hun
vangst van boord. ,,Dan stond er
vaak nog iemand in het ruim erbij te
scheppen.’’ Het bood een bijzondere
dynamiek. Maar dat is veranderd.
,,Nu mogen ze de bodem niet meer
beroeren, en drijven er allemaal netten waar de mosselen zich aan hechten. Ze hoeven ze alleen nog maar te
plukken.’’
De werf is verhuisd en het uitzicht
is ,,ons ontnomen door de projectontwikkelaars’’, zegt hij. Dankzij de
strijd van de bewoners is een deel
van dit oude wijkje overeind blijven
staan. Omgeven door rijen appartementencomplexen. ,,‘Historiserend’
noemen ze dat’’, zegt Roos in het
voorbijgaan.
Welgelegen ligt inmiddels aan de
rand van de Nieuwe Vissershaven.
Een grote grijze kolos, naast de al
even grote loodsen van de zoutfabriek. Er worden enorme jachten geproduceerd. ,,Ferskrikkelik’’, vindt
Roos. De loodsen schildert hij overigens wel vaak, dat zijn wel mooie
vormen. Hij houdt van ,,het abstracte van de plek’’. ,,Je moet ’t zien.’’
Zijn publiek hoeft Harlingen niet
in zijn werk te herkennen. Sterker
nog, hij schildert de haven zo ,,dat ’t
overal kan wezen’’.
Zijn atelier beslaat het grootste
deel van de benedenverdieping van
wat eerst een timmerwerkplaats
was. In het eerste deel staan tientallen grote rollen tegen de wand geleund. Werken van Welgelegen, toen
de werf nog in vol bedrijf was en grote kotters afleverde. Van het begin
tot het eind volgde hij het productieproces. Toen de werf al gesloten was
en het een ‘roestige bende’ werd,
was hij er nog vaak te vinden. Vond
hij ook mooi. Hij kon makkelijk de
werf op, en zijn atelier was vlakbij.
Dus schoof hij de rollen zo weer naar
binnen.
Bovenaan zit steeds een foto van
de voorstelling, zodat hij ze niet uit
hoeft te rollen om te weten wat er
schuilgaat in de kokers. ,,Ik heb wel
van die grote rollen mee gehad op de
fiets’’, vertelt hij. ,,Mar ik wurd oek
ouder, en it ferkeer drukker...’’
Altijd werkt hij met het papier op
de grond. Als het waait, werkt hij
kleiner. Er is hem wel eens een werk
ontkomen. ,,Bracht iemand het later
terug, maar toen zag het er niet meer
uit.’’ Hij werkt op papier, van allerlei
soorten. Vroeger het papier dat om
stapels hout zat. ,,Maar da’s tegenwoordig allemaal plastic.’’ Karton,
triplex, pakpapier... hij schildert
overal op. Getuige de stapels kleine
schilderijen tussen onbedrukt krantenpapier.
In het tweede deel van zijn atelier
staan nog meer kleine werkjes tegen
de wand met oud gereedschap. ,,Dat
was van mijn vader, die timmerman
was.’’ Hier ook stapels schilderijen,
klein en middelgroot. Honderden
wellicht. Want ,,ik werk elke dag, en
bewaar alles’’.
Het is vrij opgeruimd, verklaart
Roos. Hij heeft nog maar pas zijn zeventigste verjaardag gevierd, rond
de hoge houtkachel. Aan de wand
hangen een paar werken die hij ,,wel
vrolijk vond’’. Een zicht op een oude
steiger met karakteristieke zwarte
palen, helderblauw water met witte
schittering. En een kleurrijker tafereel in de haven, waar mosselaars
met grijpers in de weer zijn.
Hier werkt Roos verder aan zijn
schilderijen. Wijzend op het linker
landschap. ,,Ik vond die regen daar
wel mooi.’’ Dunne diagonale lijntjes
verbeelden de neerslag, die hij waarschijnlijk juist is ontvlucht. Het zijn
geen grote, studieuze ingrepen die
hij doet. ,,’t Moet er wel zo uitzien
alsof ’t er in één keer op stond.’’
Zacht klinkt de jazz door de hoge
ruimte. Hij schenkt nog een kop
thee in. Dan klinkt er een jarentachtigklik en stopt de muziek. Hij draait
het bandje om. Coltrane, Zappa, Earring, Miles Davis staat te lezen op de
stapels cassettes rond de muziekinstallatie. Ook hiervan doet hij niets
weg. ,,Wat ik mooi vind zet ik weer
op een ander bandje.’’
