Posts tonen met het label Tripgemaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tripgemaal. Alle posts tonen

5 mei 2026

Jan Roos en de Harlinger haven














Op 20 november 2021 verscheen onderstaand artikel van mij in de Leeuwarder Courant. Ik was met schilder Jan Roos in de Harlinger haven en maakte onderweg verschillende foto’s. Jan overleed vorige week, hij was 74 jaar. Zie dit verhaal als eerbetoon. 

Jan Roos en de haven van Harlingen

Al 35 jaar is de haven van Harlingen het onderwerp van schilder Jan Roos. ,,Ergens oars hast misskien it gefoel dat it like mut.’’

’s Morgens stapt Jan Roos op zijn fiets. Vanuit de Nutstraat rijdt hij over de Zuiderhaven, steekt de Kleine Sluis over en via het Harlinger centrum en de Oude Ringmuur komt hij in de haven. Even zien wat er is. Hoe ver zijn ze met het vervangen van de houten steigers? Komen er vissers binnen? 

Alles kan zijn weg vinden naar een tekening of schilderij. Een groter werk pakt hij vaak ’s middags op. Met zijn verf en kwasten in de fietstas, een rol papier ernaast, zoekt hij zijn plek. Daar legt hij zijn papier op de grond en gaat aan de slag. In snelle halen weet hij de schepen vast te leggen. Meeuwen zijn een dankbaar onderwerp, evenals vissers die bezig zijn met hun vangst of hun netten. 

Het liefst werkt hij tegen de avond, als het al donkert. Dan is het rustig. ,,Kiek’’, wijst hij als hij de sluis passeert. ,,Die heb ik misschien wel duzend keer geprobeerd te tekenen ofte schilderen. Al dat water... vooral als ze aan het spuien zijn. Of als het laag water is en de viezigheid boven komt drijven.’’ 

Bij de Urker Visafslag zijn de stapels kratten interessant, met hun lukrake compositie in blauw, wit en groen. Hij slingert zijn been weer over het zadel en rijdt verder. Hij weet waar ze liggen. Die grote keien, die de vissers soms in hun netten vinden. ,,Mooi met hun pokken.’’ 

Roos is een halve Terschellinger, zegt hij. Zijn moeder kwam van dat eiland, en zijn vader kwam er een generatie eerder al vandaan. Zelf groeide hij op in Harlingen. Na de avondopleiding aan de Leeuwarder academie Vredeman de Vries, en twee jaar Jan van Eyck Academie in Maastricht, keerde hij terug naar de havenstad. 

Sinds 1986 woont hij in het pakhuisje aan de Nutsstraat. Destijds was de werf Welgelegen om de hoek. ,,We hadden ’n mooi uitzicht over de werf Welgelegen en de haven.’’ Je hoorde de motoren en de misthoorn. Als de mannen stonden te lassen, gaf dat energie. De mosselaars haalden met hun grote zuigers de zee leeg. Eenmaal in de haven pakten grote grijpers hun vangst van boord. ,,Dan stond er vaak nog iemand in het ruim erbij te scheppen.’’ Het bood een bijzondere dynamiek. Maar dat is veranderd. ,,Nu mogen ze de bodem niet meer beroeren, en drijven er allemaal netten waar de mosselen zich aan hechten. Ze hoeven ze alleen nog maar te plukken.’’ 

De werf is verhuisd en het uitzicht is ,,ons ontnomen door de projectontwikkelaars’’, zegt hij. Dankzij de strijd van de bewoners is een deel van dit oude wijkje overeind blijven staan. Omgeven door rijen appartementencomplexen. ,,‘Historiserend’ noemen ze dat’’, zegt Roos in het voorbijgaan. 

Welgelegen ligt inmiddels aan de rand van de Nieuwe Vissershaven. Een grote grijze kolos, naast de al even grote loodsen van de zoutfabriek. Er worden enorme jachten geproduceerd. ,,Ferskrikkelik’’, vindt Roos. De loodsen schildert hij overigens wel vaak, dat zijn wel mooie vormen. Hij houdt van ,,het abstracte van de plek’’. ,,Je moet ’t zien.’’ 

Zijn publiek hoeft Harlingen niet in zijn werk te herkennen. Sterker nog, hij schildert de haven zo ,,dat ’t overal kan wezen’’. 

Zijn atelier beslaat het grootste deel van de benedenverdieping van wat eerst een timmerwerkplaats was. In het eerste deel staan tientallen grote rollen tegen de wand geleund. Werken van Welgelegen, toen de werf nog in vol bedrijf was en grote kotters afleverde. Van het begin tot het eind volgde hij het productieproces. Toen de werf al gesloten was en het een ‘roestige bende’ werd, was hij er nog vaak te vinden. Vond hij ook mooi. Hij kon makkelijk de werf op, en zijn atelier was vlakbij. Dus schoof hij de rollen zo weer naar binnen. 

Bovenaan zit steeds een foto van de voorstelling, zodat hij ze niet uit hoeft te rollen om te weten wat er schuilgaat in de kokers. ,,Ik heb wel van die grote rollen mee gehad op de fiets’’, vertelt hij. ,,Mar ik wurd oek ouder, en it ferkeer drukker...’’


 

















Altijd werkt hij met het papier op de grond. Als het waait, werkt hij kleiner. Er is hem wel eens een werk ontkomen. ,,Bracht iemand het later terug, maar toen zag het er niet meer uit.’’ Hij werkt op papier, van allerlei soorten. Vroeger het papier dat om stapels hout zat. ,,Maar da’s tegenwoordig allemaal plastic.’’ Karton, triplex, pakpapier... hij schildert overal op. Getuige de stapels kleine schilderijen tussen onbedrukt krantenpapier. 

In het tweede deel van zijn atelier staan nog meer kleine werkjes tegen de wand met oud gereedschap. ,,Dat was van mijn vader, die timmerman was.’’ Hier ook stapels schilderijen, klein en middelgroot. Honderden wellicht. Want ,,ik werk elke dag, en bewaar alles’’. 

Het is vrij opgeruimd, verklaart Roos. Hij heeft nog maar pas zijn zeventigste verjaardag gevierd, rond de hoge houtkachel. Aan de wand hangen een paar werken die hij ,,wel vrolijk vond’’. Een zicht op een oude steiger met karakteristieke zwarte palen, helderblauw water met witte schittering. En een kleurrijker tafereel in de haven, waar mosselaars met grijpers in de weer zijn. 

Hier werkt Roos verder aan zijn schilderijen. Wijzend op het linker landschap. ,,Ik vond die regen daar wel mooi.’’ Dunne diagonale lijntjes verbeelden de neerslag, die hij waarschijnlijk juist is ontvlucht. Het zijn geen grote, studieuze ingrepen die hij doet. ,,’t Moet er wel zo uitzien alsof ’t er in één keer op stond.’’ 

Zacht klinkt de jazz door de hoge ruimte. Hij schenkt nog een kop thee in. Dan klinkt er een jarentachtigklik en stopt de muziek. Hij draait het bandje om. Coltrane, Zappa, Earring, Miles Davis staat te lezen op de stapels cassettes rond de muziekinstallatie. Ook hiervan doet hij niets weg. ,,Wat ik mooi vind zet ik weer op een ander bandje.’’



30 december 2021

Internationale


 







Deze foto maakte ik voor de Leeuwarder Courant bij onderstaand artikel:

'Internationale' schalt door Tripgemaal

GERSLOOT ‘Ontwaakt verworpenen der aarde’, klonk het zaterdagmorgen luidkeels in het Tripgemaal. Frits Lambrechts leende zijn stem aan Domela Nieuwenhuis en zong mee met het koor De Reade Hoeke. 

Hij heeft vrijdagmiddag in de kleine studio van Adri de Boer de lezing ingesproken, die Domela Nieuwenhuis in 1889 in Café Zwart in Appelscha hield. Nu zit oud-acteur en-zanger Frits Lambrechts in het Tripgemaal te luisteren naar het koor De Reade Hoeke uit Heerenveen en omgeving. ,,Kom op, ferskopten dy’t wy binne’’, zingen de mannen en vrouwen in het Fries. De andere aanwezigen zijn muisstil, want er worden opnames gemaakt. 

Lambrechts kreeg twee jaar geleden al het verzoek van Jort Mercuur en Miriam van der Meer om zijn stem te lenen aan Domela Nieuwenhuis, in Friesland liefkozend Us Ferlosser genoemd. Hij kwam op voor de veenarbeiders, die in erbarmelijke omstandigheden werkten en leefden. 

In 2019 was het honderd jaar geleden dat Domela stierf. Mercuur en Van der Meer vonden dat de socialist in dat herdenkingsjaar te horen moest zijn in hun historische tentoonstelling over turfwinning en leefomstandigheden in de streek. Jorts vader Thom Mercuur wilde dat het Tripgemaal een gedenkplek voor de voormalig dominee zou zijn, en dan past zo’n soundscape daar helemaal bij. 

Door de bekende omstandigheden, kwam het niet eerder van de opnames, maar Lambrechts is dit weekeinde op dreef. Domela kwam oorspronkelijk uit Amsterdam. Hij was een rijzige man en kon zonder elektronische versterking een menigte toespreken. Er is natuurlijk in die tijd nooit een opname gemaakt. Dat er een lezing bewaard is gebleven, is te danken aan een ijverige stenograaf. ,,Terwijl mensen van heinde en ver kwamen om hem te horen spreken’’, aldus Van der Meer. 

,,Mensen waren dan muisstil, want ze wilden geen woord missen’’, meent Lambrechts. Dat hij werd gevraagd, is geen wonder. De Amsterdamse acteur heeft ondanks zijn 85 jaar nog een dijk van een stem. Bovendien zong hij in zijn jonge jaren menig strijdlied. 

Dat blijkt als Han Steenbruggen, directeur van Museum Belvédère, ook even komt luisteren. Hij heeft twee oude singletjes meegenomen. Eén waarop Lambrechts met Jules de Korte Waar blijft de tijd zingt, en een zogeheten Varagram met Samen staan we sterk en De zegeningen van het kapitaal. Steenbruggens ouders waren lid van de socialistische omroepvereniging. ,,Je kon zo’n plaatje zó bestellen’’, zegt hij. ,,Toen was de VARA nog links’’, constateren de mannen met de nodige weemoed.

Lambrechts was dit weekeinde te gast in Gersloot. Vrijdagavond heeft hij doorgebracht met Van der Meer en Mercuur, onder het genot van een goed glas rode wijn. Want ja, hij drinkt wel. In tegenstelling tot Domela, die behalve vegetariër ook de drank afzwoor met de woorden: ‘Drinkende arbeiders denken niet, denkende arbeiders drinken niet’, vertelt Martzen Dijkstra, dirigente van De Reade Hoeke. 

Het koor ontstond in de jaren tachtig, de tijd van de vredesbeweging. Destijds was het een echt strijdkoor, en reisde het naar festivals om soortgelijke ensembles te treffen. De Internationale staat uiteraard op het repertoire en wordt in het Tripgemaal ook gezongen. Als Lambrechts zich bij de groep aansluit, davert zijn nog altijd formidabele stem over die van de anderen heen. 

Het koor zingt tegenwoordig ook andere nummers. Zoals Tourdion, een Frans drinklied. ,,Mooi hè’’, zegt Lambrechts als hij weer op een bankje zit te luisteren, in afwachting van soep en brood. Maar laat Domela het niet horen...